De (var-)aanhouder wint!
Inleiding
- Herkomst - De dieren - Het
terrarium - Voedsel -
Mondrot en de genezing ervan - Summary
- Literatuur
Door:
Fons Sleijpen
Eerder verschenen in: Lacerta,
40e jaargang nr. 8, mei 1982.
Dit artikel verhaalt over de verzorging van Varanus salvator in het terrarium en tevens over de moeizame genezing van mondrot bij een van de dieren. Veel van de geïmporteerde Indische varanen of bandvaranen worden verzonden vanuit Thailand. Dit wil echter niet zeggen dat ze in dat land daadwerkelijk gevangen zijn. Thailand fungeert als een soort verzamelplaats voor allerlei dieren uit omliggende landen. Bij een aantal exporteurs in Bangkok worden de Indische varanen onder slechte omstandigheden "opgeslagen", tot er voldoende zijn om verzonden te worden. Dit langdurig opslaan komt de gezondheid en de weerstand van de dieren uiteraard niet ten goede. Dikwijls zitten er honderden bij elkaar in betonnen, donkere bakken. Reinigen of ontsmetten van de bakken is uit den boze, want dat kost tijd en geld. Als voedsel wordt af en toe een handjevol gekko´s o.i.d. in de bakken geworpen (pers. med. Freek Gillissen). Door deze werkwijze is het niet verwonderlijk dat de dieren meestal ondervoed, ziek en beschadigd Europa binnenkomen. Het sterftecijfer onder de ingevoerde Indische varanen zal dan ook erg hoog liggen. De aangeboden dieren in de Nederlandse handel zijn meestal niet groter dan 100 cm. Deze "redelijke" afmetingen verleiden nogal wat liefhebbers om tot de aankoop over te gaan. Is men in staat de dieren op te knappen en gezond te houden, dan ontstaan er huisvestingsproblemen. Een beetje Indische varaan wordt gemakkelijk 200 cm lang. Ze kunnen zelfs uitdijen tot zo´n 300 cm. Men moet dus beschikken over enorme ruimtes om de dieren te geven waar ze recht op hebben. Kan men aan deze voorwaarden voldoen, dan is Varanus salvator een dankbaar terrariumdier. Ze worden erg snel tam en leren hun verzorger goed kennen. Voedselproblemen zijn er niet, als men zich niet door de grote hoeveelheden laat afschrikken. Kan men in het gelukkige bezit van een paartje komen, dan lijkt het me goed mogelijk om met Varanus salvator te kweken.
Varanus salvator bewoont in een zevental ondersoorten het hele Zuidoost-aziatische gebied. Vijf hiervan hebben een erg klein verspreidingsgebied (Philippijnen, Andamanen, Togean eilanden). De nominaatvorm (Varanus s. salvator) komt voor van Sri Lanka in het westen tot zuid China in het noordoosten. Naar het zuiden komt hij voor tot op Sumatra en Borneo. De laatste ondersoort V. s. bivittatus, die zich van de nominaatvorm onderscheidt door de aanwezigheid van lichte lengtestrepen op de nek, komt voor op Java en de kleine Soendaeilanden. Deze varanensoort komt voor in vochtige bossen, in mangrovegebied en op rivieroevers. Op Sri Lanka is hij vooral te vinden in de omgeving van rijstvelden, waar hij jacht maakt op zoetwaterkrabben. Om deze reden wordt hij daar beschermd. Duidelijk is wel, dat voor het voorkomen van V. salvator water noodzakelijk is.
Varanus salvator is een grote, donkerbruine hagedis. Op de lange staart liggen een aantal geelachtige dwarsbanden. Op de rug liggen enkele rijen geelachtige punten of rozetten. De poten zijn gebandeerd met kleine, geelachtige punten. De verschillende exemplaren tonen vaak zeer uiteenlopende tekeningspatronen. Helaas zijn de meeste ingevoerde Indische varanen van het mannelijk geslacht. Vrouwelijke dieren zijn in Nederland moeilijk verkrijgbaar. De reden hiervoor kan waarschijnlijk ten dele door de navolgende punten verklaard worden: § Bij veel soorten varanen leiden de vrouwelijke dieren een meer verborgen levend dan de mannen. Ze zullen dus minder gevangen worden. § Wordt er onverhoopt toch een vrouwtje gevangen, dan wordt ze gecontroleerd op drachtigheid. Draagt ze inderdaad eieren dan wordt ze gedood. De eieren en het vlees worden beschouwd als lekkernij. Hier staat gelukkig tegenover dat in diverse streken Varanus salvator als uitermate giftig wordt beschouwd. Momenteel verzorgen we twee exemplaren in het terrarium. Na sonderen bleken het mannen te zijn. Beide dieren hebben een naam. Hier schijnen ze naar te gaan luisteren als ze eenmaal goed ingeburgerd zijn. Dit is tot op heden nog niet het geval. Nummer één heet Remco en is ongeveer een meter lang (verhouding kop/romp : staart = 41 : 59). Hij weegt ongeveer 1000 gram. Dit exemplaar is handtam en vrij rustig van aard. Nummer twee is debbus. Hij is pas 68 cm lang (verhouding kop/romp : staart = 30 : 38) en weegt 350 gram. Dit dier is nog niet echt handtam. Hij houdt er niet van om vastgepakt te worden. Bijten doet hij niet meer; wel dreigen als je te dicht in de buurt komt. Hij wordt wel steeds handelbaarder.

(c) ?
Het terrarium is 260 cm lang, 60 cm diep en 150 cm hoog. De bodem is in tweeën verdeeld, de ene helft is een landdeel en de andere het waterdeel. Dit laatste bestaat uit een betonnen bassin met afvoer. Het diepste punt is 35 cm terwijl de totale inhoud ongeveer 45 liter is. Het landgedeelte is bedekt met Novilon. Hieraan geven wij de voorkeur omdat het beter te reinigen is dan een bodem met zand of aarde en dus veel hygiënischer is. Het is verkrijgbaar in tamelijk natuurlijke kleuren en het is erg slijtvast. Als klimgelegenheid zijn er een aantal grote takken en enkele grote plastic planten in het terrarium aangebracht. Voor verwarming en verlichting wordt gezorgd door een 100 Watt persglaslamp boven een tak, een 100 Watt infraroodlamp boven het waterbassin en twee 40 Watt TL-buizen bovenin het terrarium. De smoorspoelen van de TL-buizen zorgen voor een plaatselijke bodemverwarming. Hierdoor varieert de temperatuur overdag tussen de 24 en 30 °C. (´s nachts tussen 17 en 20). De bodem kan plaatselijk een temperatuur van 35 graden krijgen. Op de tak vlak onder de persglaslamp kan de temperatuur zelfs oplopen tot zo´n 40 °C. Overdag is het water 23 tot 28 °C, ´s nachts 17 tot 20 °C. De luchtvochtigheid is overdag 40 tot 60 % en ´s nachts 50 tot 80 %.
Indische varanen zijn, net als alle andere varanen, echte roofdieren die uitsluitend dierlijke kost tot zich nemen. Jonge varanen eten veel insecten e.d., grotere dieren leven voornamelijk van zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en amfibieën. Naast levende prooien eten Indische varanen ook aas. In het terrarium was dit bijvoorbeeld merkbaar, doordat beide dieren graag "bedorven" kuikenhartjes aten, welke al aardig stonken. "Bedorven voedsel" wordt slechts zelden gegeven, hoewel ik geen schadelijke gevolgen heb kunnen waarnemen. Het menu van onze Indische varanen bestaat uit eendagskuikens, stukken kip, kuikenhart, kuikenmaag, kuikenlever, runderlever, muizen, hamsters, rauwe eieren, kattenvoer uit blik, milt, zoet- en zoutwatervis. Vis wordt slechts weinig gevoerd, daar dit enorm stinkende ontlasting veroorzaakt. Met het voer krijgen de dieren ook Amrepcal, Diervital, melkzure kalk en vitamine D³ op waterbasis. De dieren worden gemiddeld twee maal per week gevoerd.

(c) ?
Op 12 september 1980 kwamen we in bezit van twee Indische varanen. De dieren waren erg agressief, moeilijk hanteerbaar en maakten een gezonde indruk. Binnenin de bek was niets verontrustends te zien. De dieren werden ondergebracht in een quarantaine-terrarium. De grootste van de twee wilde af en toe wel iets eten, de kleinste at niets. Beide dieren werden lusteloos en bleken na controle te leiden aan mondrot. e dieren waren preventief behandeld met Ripercol tegen wormen. In de bek zat nogal wat kaasachtige substantie. Dit werd dagelijks verwijderd. De bek werd "geschuurd" met verdund zoutzuur (12 cc HCL 1-normaal op 1 liter water). In het drink/badwater ging ook verdund zoutzuur (6 cc HCL 1-normaal op 1 liter water). De kleinste overleed op 19 oktober 1980. Het sectierapport wees ernstig mondrot en longontsteking uit. Debbus kochten we er later bij om het overleden exemplaar te vervangen. De grootste (Remco) overleefde de mondrot. Uit onderstaand overzicht zal blijken hoe moeizaam dit ging. Remco werd vanaf 1 november 1980 gedwangvoederd. Om de vier à vijf dagen kreeg hij één of twee eendagskuikens, muizen of stukken orgaanvlees. Tegelijkertijd werden vitamine- en kalkpreparaten toegediend.
| 10-10-1980 | De bek wordt dagelijks "geschuurd" met verdund zoutzuur (12 cc HCL 1-normaal op 1 liter water). Het drinkwater wordt aangezuurd met 1-normaal zoutzuur (6 cc op 1 liter water). De bek wordt dagelijks ingesmeerd met Terramycine oogzalf. |
| 16-10-1980 | De neuspunt is aangetast en necrotisch. Het dode weefsel wordt weggeknipt. De toestand van de bek is zeer slecht. Deze verspreidt een duidelijke rottingslucht. |
| 05-11-1980 | De toestand van de bek gaat niet vooruit. In plaats van Terramycinezalf wordt nu dagelijks Panalogzalf gebruikt. |
| 12-11-1980 | Remco vertoont duidelijke verschijnselen van longontsteking. Waarschijnlijk zijn er schadelijke bacterieën uit de bek in de longen terechtgekomen. De toestand is vrij kritiek. Als therapie krijgt hij een kuur van vijf dagen met Kanamycine intramusculair (0,2 ml per kg dier). |
| 22-11-1980 | Geen verschijnselen meer van longontsteking. De toestand in de bek verandert weinig. |
| 24-11-1980 | Er wordt begonnen met een 14 dagen durende kuur met Chlooramfenicol oraal per capsule (40 mg per kg dier). In plaats van Panalog-zalf, nu dagelijks Globenicol oogzalf in de bek. |
| 07-12-1980 | Einde Chlooramfenicolkuur. De bek gaat vooruit, doch de kaasachtige substantie blijft steeds terugkeren. |
| 13-12-1980 | Faecesonderzoek wijst wormeieren uit. Er wordt begonnen met een nieuw medicijn. Remco krijgt gedurende 4 dagen 1 maal daags Acetamidonitrothiasol oraal ( 1 ml per kg dier). |
| 27-12-1980 | Kaasachtige substantie blijft terugkeren. Op aanraden van Claessen (werkgroep ziekten) wordt een kuur van 14 dagen met Amfoterycine oraal (5 mg per kg dier) gestart. |
| 05-01-1981 | Er wordt gestopt met het "schuren" met verdund zoutzuur. De bek wordt nu uitgebruist met waterstofperoxyde 3 % en nagespoeld met hibitane. In het drink/badwater gaat nog steeds zoutzuur. |
| 15-01-1981 | De kaasachtige substantie blijft terugkeren. Op aanraden van Dorrestein (Utrecht) wordt een nieuwe kuur begonnen. Nu 1 x daags Belcomycine (10.000 EH per kg dier) intra-musculair, gedurende 10 dagen. Tegelijkertijd wordt 1 x daags de bek gespoeld met Belcomycine (100.000 EH per liter water). |
| 24-01-1981 | Einde Belcomycinekuur. Er worden op aanraden van Dorrestein (Utrecht) geen nieuwe medicamenten meer toegediend. Ook wordt er gestopt met de waterstofperoxide en het verdunde zoutzuur. Remco moet het vanaf nu zelf trachten op te lossen.Dwangvoederen gaat gewoon door. De kaasachtige substantie wordt niet meer verwijderd om beschadigingen in de bek te voorkomen. |
| 06-04-1981 | Ripercolinjectie |
| 11-04-1981 | Dwangvoederen wordt gestopt. |
| 21-04-1981 | Ripercolinjectie |
| 21-05-1981 | Remco eet voor de eerste keer zelfstandig en wordt als genezen beschouwd.Het heeft dus zo´n acht maanden geduurd eer de mondrot verdwenen was. |
Zowel Remco, als de later aangeschafte Debbus eten allebei goed. Opmerkelijk is wel dat ze beide bang zijn voor levende prooien, hoe klein deze ook zijn.

(c) ?
Some notes are given on Varanus salvator. Most of the animals are imported from Thailand and arrive in a very poor condition in Holland. Two animals were bought in 1980. Both were ill. Only one survived after 7 months of treatment.
KRATZER, H., 1973. Beobachtungen über die Zeitigunsdauer eines Geleges von Varanus salvator. Salamandra 9(1): 27-33.
MERTENS, R., 1963. Liste der rezenten Amphibien und Reptilien: Helodermatidae, Varanidae, Lathanotidae. Das Tierreich (79), Berlin.
WHITAKER, R & Z. WHITAKER, 1980. Distribution and status of Varanus salvator in India and Sri Lanka. Herp.Review 11(3): 81-82.